U bent hier

Leemwespen forenzen naar stierenkuil

1-09-2019|DOORARK Natuurontwikkeling

Vier soorten leem- of metselwespen, een graafwesp en een bijensoort halen klei voor hun nest uit stierenkuilen. Stieren in natuurlijke kuddes maken die kuilen in de bronsttijd. In een reeks verhalen doet ARK-onderzoeker Jeroen Helmer vanuit de kuilen verslag van opmerkelijke ontdekkingen. Dit keer: het woon-werkverkeer van wespen en bijen naar een stierenkuil.

Fanatieke stier in zijn stierenkuil
Fanatieke stier in zijn stierenkuil (foto Jeroen Helmer)

Bomkrater

Stierenkuilen in de Gelderse Poort bij Nijmegen bieden precies wat klei delvende insecten nodig hebben. In de natuurlijk begraasde uiterwaarden lopen runderkuddes rond met een sociale structuur waarin jonge dieren een plekje verwerven in de kudde. Als ze geslachtsrijp zijn, dagen de stieren in het voorjaar elkaar uit. Om te laten zien wie de sterkste is, schrapen ze met hun hoeven over de grond en gooien stof, zand en zelfs hele kluiten grond hoog op. Als ze dit vaak op dezelfde plek doen ontstaat een kuil met aan één kant een wand waar ze ook nog met hun schouders en kop tegenaan schuren. De wand wordt steeds steiler en kan een hoogte tot wel een meter bereiken. Een recent door een stier bezochte kuil ziet eruit als een bomkrater. Een diep gat met over de rand gesmeten kleibrokken en zandpakketten. ARK Natuurontwikkeling doet samen met Wageningen Universiteit onderzoek naar de relatie tussen de dynamiek van stierenkuilen en de aanwezigheid van insecten en planten.

Een deukmetselwesp spuugt water op de wand van de stierenkuil
Een deukmetselwesp spuugt water op de wand van de stierenkuil (foto Jeroen Helmer)

Klei voor de bouw

70 procent van de wespen- en bijensoorten maken hun nesten in holen in de grond. Daarnaast heb je nog wespen die hun nest van papier maken, zoals de limonadewespen. Een kleine groep is afhankelijk van klei als bouwmateriaal voor hun nesten, of om er de holen mee af te smeren. Het winnen van die klei gebeurt uiterst zorgvuldig. De insecten zijn erg kieskeurig over de kwaliteit van de klei als specie. Ook is de locatie belangrijk: het liefst ver van vegetatie verwijderd in verband met mogelijke aanvallen van roofdieren als spinnen. Ideaal zijn steile, leemhoudende wanden omdat er geen kruipende dieren komen en de bijen en wespen er gemakkelijk kunnen neerstrijken. En bij onraad kunnen ze snel vluchten met hun zware vracht.

Urntjeswesp bij een stierenkuil
Urntjeswesp neemt een kleibolletje mee bij een stierenkuil (foto Jeroen Helmer)

Wesp als cementmolen

Op één wand in een kuil bij de Bizonbaai waren vorig jaar vier kleiwinnende wespengroepen vertegenwoordigd. Iedere wesp of bij is erg op privacy gesteld en heeft haar eigen plekje op de wand die zij telkens trouw bezoekt, soms tot op de centimeter nauwkeurig. Alle metselaars halen eerst water. Dat nemen ze in bij een plas in de buurt, bewaren het in hun krop, vliegen naar de stierenkuil en spugen het op een plek in de wand. Met hun kaken schrapen ze de natte kleideeltjes los en met hun kop en voorpoten kneden ze er kleibolletjes van. Continu controleren ze met hun voelsprieten of het graven en mengen goed verloopt. Na ongeveer een halve minuut hebben ze een hoeveelheid specie gewonnen die nog te hanteren is en vliegen er mee naar hun nest.

Urntjesbouwer gebruikt camouflage

De opvallendste wesp, aangetroffen in twee kuilen, is de urntjeswesp. Een buitengewoon elegante dame met een dubbele wespentaille. Het achterlijf is na de tweede insnoering sterk gezwollen en wijst min of meer in een hoek naar beneden. Met de verzamelde klei bouwt ze op de stengel van een plant een bolvormige nestkamer, lijkend op een urn. De kraag van de urn is bedoeld om haar poten houvast te geven bij het naar binnen duwen van prooien. Als de kraag nog nat is hangt ze een eitje aan een draadje in het nest. Daarna gaat de urntjeswesp rupsen halen, die ze verdooft met haar angel. Eén voor één propt ze de rupsen als voedsel voor haar larve in de bol. Uitgebreid controleert ze met haar voelsprieten of het nest vol is. Dan breekt ze de kraag af en smeert de ingang dicht. Vervolgens gaat ze algen halen van de schors van een boom en decoreert daar het bolletje mee. Aanvankelijk is dat groen veel te fel, maar later verkleurt het naar een perfecte camouflage.

Nest van een ranonkelbij voor en na het dichtsmeren met links een knotswesp, een parasiet
Nest van een ranonkelbij voor en na het dichtsmeren met links een knotswesp, een parasiet (foto Jeroen Helmer)

Gatenvullers

De overige wespen en bijen gebruiken de klei om hun nest, in een holle stengel of boorgat van een kever in dood hout, te compartimenteren in meerdere cellen, gevuld met een eitje en proviand, en daarna dicht te smeren. Zoals de muurwesp. Deze wesp is herkenbaar aan het achterlijf zonder opvallende insnoeringen. Zij brengt net als de urntjeswesp rupsen naar haar nest. Deukmetselwespen (twee soorten) vangen larven van haantjes, een soort kevers, en zitten qua vorm tussen de muurwesp en de urntjeswesp in: het achterlijf is licht ingesnoerd, maar wijst niet zo sterk naar beneden. De deukmetselwesp heeft een deukje op het eerste achterlijfssegment, ook te zien als inkeping in een gele ring. In een stierenkuil bij Erlecom komen vier individuen, ieder op een eigen plekje, klei schrapen. Een vos heeft daar, zoals wel vaker in stierenkuilen, gebruik gemaakt van de steile wand om een hol te maken. De deukmetselwespen hebben een voorkeur voor het overgangsgebied tussen steilrand en vossenhol: ze zitten er op drie plekken.

De pottenbakkerswesp is herkenbaar aan het lange dunne achterlijf (foto Jeroen Helmer)
De pottenbakkerswesp is herkenbaar aan het lange dunne achterlijf (foto Jeroen Helmer)

Pottenbakkerswesp en ranonkelbij

Dan is er nog een graafwespje, de pottenbakkerswesp. Zeer donker en slank, met een lang, knotsvormig achterlijf, die telkens stil in een hoekje klei zit te knagen. Zij vult haar cellen met kleine kogelspinnetjes. De bijen worden tenslotte vertegenwoordigd door de ranonkelbij die zich laaft aan de alom aanwezige kruipende boterbloem en in een stierenkuil haar klei haalt. Die gebruikt ze om haar nest in een keverboorgat in een liggende dode wilg naast de kuil, gevuld met stuifmeel en een eitje, dicht te smeren. En dat is niet voor niets, want eerder is dat hol al bezocht door een parasiet, de knotswesp.

Dood hout en ruigtes belangrijk voor insecten

Veel insectenlarven doen er een jaar over om zich tot volwassen insect te ontwikkelen, vaak in holle kruidenstengels of kevergaten in hout. Belangrijk is het dus dat er in een natuurgebied het hele jaar kruidenruigtes blijven staan. Extensieve jaarrondbegrazing biedt ruimte aan die ruigtes. Ook dood hout is onmisbaar voor de insecten die het van oude kevergangen moeten hebben voor de voortplanting. Kadavers van grote dieren bieden voedsel voor een keur aan aaseters, waaronder honderden soorten insecten, terwijl grote grazers, vrij van medicijnen, poep zonder troep leveren waar vele voedselketens beginnen en dus ook de stierenkuilen maken. Daarom stimuleert ARK Natuurontwikkeling het herstel van natuurlijke processen en weer sluiten van natuurlijke kringlopen in natuurgebieden.

Eerder verscheen in deze serie

- Steilrandgroefbij wacht duizend jaar op bronstige stier

- 85 mannen in een stierenkuil

- Bronstige stier laat de schoorsteen roken

In het volgende deel van de zomerserie: stierenkuilen en zandbaden.