U bent hier

Blog: Stage Dood doet Leven

9-01-2019|DOORARK Natuurontwikkeling

Maandag 17 december trok ik nog één keer de laarzen aan voor het laatste veldbezoek van mijn stage binnen Dood doet Leven. De afgelopen drie maanden ben ik bezig geweest met een cameraval-onderzoek naar gewervelde aaseters die profiteren van ree-kadavers. Helaas worden jaarlijks nog tussen de 5.000 en 10.000 reeën doodgereden in Nederland en dit zogenaamde valwild wordt in de praktijk vaak vernietigd of gaat soms naar de wildslagerij. In het kader van ‘Dood doet Leven’ wordt valwild (o.a. ree, vos en das) weer teruggeplaatst in de natuur zodat aaseters deze als voedselbron kunnen benutten. Zo probeert ARK Natuurontwikkeling met vele partners een start te maken met het herstel van de aasetergemeenschap in Nederland.

Nog één keer de laarzen aan

17 december was echt zo’n grauwe herfstdag, gedreven door donkere wolken en motregen. Ik loop door het hekje en sla aan het einde van de bomenlaan linksaf waarna ik mij een weg baan over het drassige grasland. Het is stil. In de verte hoor ik enkel nog het gebrom van passerende auto’s. Iets ten noorden van mij graast een kudde taurossen en een aantal Exmoor pony’s. Ik nader een eenzame berk. Hier is één van de acht cameralocaties ingericht die ik tijdens het onderzoek heb gebruikt. Deze locaties waren verspreid over drie natuurgebieden in Noord-Brabant en Limburg. De geur van het kadaver komt me tegemoet. Het kadaver ligt nu zo’n twee weken op de locatie en is zo te zien flink aangevreten. Desondanks is het kadaver nog goed bewaard, bij warmere temperaturen zou het kadaver al lang ten prooi zijn gevallen aan legio vliegenlarven, aaskevers en micro-organismen. Dat valt dit keer mee. De ogen zijn verdwenen, deze worden vaak benut als een makkelijke snack door bijvoorbeeld kraaien of raven. Ook bijna alle organen zijn uit de buikholte verdwenen, enkel het hart is nog geheel intact.

Screenshot van camerabeelden gemaakt op 17-12 bij aankomst bij het betreffende ree-kadave

Al met al wordt zo’n kadaver in zijn geheel benut door aaseters en andere profiteurs. Spierweefsel en organen worden gegeten door een groot scala aan aaseters van groot tot klein. Maar ook van de huid en botten wordt gegeten door bijvoorbeeld zwijnen. De haren worden weer als nestmateriaal gebruikt door eekhoorns of nestelende vogels. Op de beelden is te zien hoe dit keer een vos en een drietal zwarte kraaien flink van het kadaver hebben geprofiteerd.

Profiterende aaseters

Helaas zit het veldwerk er nu voor mij op en in het nieuwe jaar mag ik mij gaan storten op de analyse van het onderzoek. Gedurende mijn veldwerk heb ik in ieder geval een mooie variatie aan profiterende dieren kunnen waarnemen op de camerabeelden. Denk hierbij aan directe aaseters als vossen, zwijnen, buizerds, kraaien en steenmarters. Daarnaast stonden er ook indirecte profiteurs op de camera zoals egels en bosmuizen, voor deze soorten is zo’n kadaver een werkelijk insectenbuffet. Maar één van de absolute hoogtepunten was wat mij betreft dat een aantal keren een raaf op de camera stond.


De raaf broedt namelijk pas sinds zijn herintroductie midden jaren zeventig weer in Nederland. Het aantal broedparen is de laatste jaren toegenomen en lag in 2016 tussen 125 en 145. Desondanks staat de raaf in Nederland nog steeds op de rode lijst als een gevoelige soort. ’s Winters wordt de raaf beschouwd als een zogenoemde obligate aaseter. Dat wil zeggen dat de raaf volledig afhankelijk is van aas voor voeding en voortplanting in het vroege voorjaar. Hiermee is de raaf de enige (gedeeltelijke) obligate aaseter die jaarrond voorkomt in Nederland. Het is mooi om te zien dat soorten als de raaf langzaamaan het Nederlandse landschap weer kleuren. Dat biedt perspectief voor de toekomst! Het is te hopen dat het plaatsen en laten liggen van dierkadavers steeds meer mogelijk zal zijn, zodat andere iconische aaseters zoals de rode- en de zwarte wouw zich ook weer meer in Nederland gaan vestigen.

Jelle Lips, Masterstudent Biologie aan de Wageningen Universiteit