U bent hier

En het zwijn ploegde voort

Wilde zwijnen zijn alleseters. Om aan hun eten te komen zoals wortels, keverlarven of voedselvoorraden van muizen, wroeten ze met hun gevoelige neus in de grond. Door dit gewoel ontstaan kale plekken. Zelfs een dichte grasmat krijgen ze open. De grond lijkt wel omgespit als zwijnen bezig zijn geweest. Op deze manier is er open grond beschikbaar waarin allerlei kruiden, struiken en bomen kunnen kiemen. Maar zwijnen eten ook aas en zijn in staat om grote dode dieren binnen een mum van tijd te verorberen. In landbouwgebieden en tuinen kunnen zwijnen met hun gewroet voor flinke schade zorgen. Het is dus belangrijk om deze gebieden goed te beschermen tegen zwijnen.

Wild zwijn en zijn sleutelrol in de natuur
Wild zwijn en zijn sleutelrol in de natuur

Kansen voor het wilde zwijn

De Zoogdiervereniging, ARK Natuurontwikkeling en Alterra-WUR hebben op 10 november 2010 de kansenkaart ‘Wilde Zwijnen in Nederland’ gepresenteerd. Uit het onderzoek naar geschikte leefgebieden blijkt dat in de toekomst in tientallen natuurgebieden in Zuid, Midden en Oost Nederland plek zou kunnen zijn voor het wild zwijn. Op dit moment mogen wilde zwijnen alleen op de Veluwe en in de Meinweg voorkomen, maar rukken ze op diverse plaatsen op.

Buiten de Veluwe en de Meinweg geldt het zogenaamde nulstandbeleid. Maar er zijn ondertussen al zwijnen gesignaleerd op diverse andere plaatsen in de provincies Gelderland, Limburg, Overijssel, Noord-Brabant en (zeer recent) Utrecht. Daarmee wordt het nulstandbeleid onhoudbaar. Bovendien horen wilde zwijnen van oudsher gewoon in Nederland thuis en dragen ze met hun gezoel bij aan een rijke, gevarieerde natuur. Met de 'Kansenkaart  wild zwijn' willen de Zoogdiervereniging en ARK de discussie rond wilde zwijnen openbreken. Waar ligt de toekomst van het wild zwijn in Nederland?

Wild zwijn
Wild zwijn

We willen het wild zwijn met name ruimte bieden in natuurgebieden. Zowel bestaande oudere natuurgebieden als nieuwe natuur in bijvoorbeeld de uiterwaarden. Door de concentratie in natuurgebieden wordt de overlast beperkt. Deze natuurgebieden moeten dan wel voldoende robuust zijn en de juiste eigenschappen hebben (onder andere de aanwezigheid van voldoende bos), om als kerngebied voor het wild zwijn te kunnen fungeren. Bij deze kansenkaart is 2.000 hectare aangehouden als minimumoppervlak van een geschikt natuurgebied. Zelfs wanneer in de naastgelegen (landbouw)gebieden het nulstandbeleid wordt gehandhaafd, hebben deze natuurgebieden voldoende omvang om gezonde populaties te herbergen. In combinatie met andere natuurgebieden in de omgeving zijn ook kleinere gebieden geschikt waarbij een netwerk van natuurgebieden samen een metapopulatie vormt.

Bekijk de kansenkaart of de combinatie kansenkaart met de verspreiding tot 2010 van wild zwijn.