Co-evolutie van planten en dieren
Edelherten brengen meer leven in het landschap met hun gedrag en graasgewoonten. Ze horen er oorspronkelijk in thuis en zijn zelfs een onmisbare schakel. Dat zit in kleinere zaken, zoals hun eigenschap om in de bodem te ‘zoelen’ en met hun gewei langs bomen te ‘vegen’. Hiermee maken ze letterlijk plaats voor tal van andere dier- en plantensoorten. Maar de invloed van het hert speelt ook op een veel grotere schaal. Edelherten grazen bij voorkeur in de overgangszones van bos naar open gebied. Daarmee maken ze deze overgangszones breed en rijk aan structuur. Zulke natuurlijke overgangen zijn bijzonder rijk aan planten en dieren. In ons huidige edelhertloze landschap zijn we gewend geraakt aan harde, abrupte overgangen tussen bos en open cultuurland. Deze harde landschapsgrenzen herbergen maar een fractie van de oorspronkelijke natuurlijke rijkdom. Met de terugkeer van het edelhert keert ook dit halfopen landschap terug. Het edelhert zorgt voor het ontstaan én het onderhoud ervan.
Leefwijze
Edelherten leven het grootste deel van het jaar in groepen (roedels), met uitzondering van oude herten. Vrouwtjesherten (hindes) en tot twee jaar oude jongen (smaldieren en kalveren) leven met hun groepen onder aanvoering van een leidhinde. De (mannetjes-)herten leven het grootste deel van het jaar in hun eigen groep. Van eind augustus tot half oktober, tijdens de ‘bronst’, is dit anders. Dan ontstaat er strijd tussen de bokken en proberen de sterkste bokken een groep hindes als ‘harem’ bijeen te houden. Dit gaat gepaard met veel en langdurige gevechten. Zij imponeren elkaar o.a. met gewei en bronstroep (burlen). De sterkste wordt tijdelijk leider van de roedel (zogenaamd plaatshert) en dekt de hindes. Na afloop van de bronst, half oktober, keren de hindes en de herten weer terug naar hun eigen groepen.
Het gewei
Het gewei van een edelhert wordt ieder jaar in de nawinter afgeworpen. Hierna begint een nieuw, groter gewei te groeien dat aan het begin van de zomer compleet is. Pas wanneer de dieren oud en minder vitaal worden, stopt de geweigroei. In de bloei van hun leven kunnen geweien wel tot 1.20 m breed uitgroeien en 15 kg wegen. Aanvankelijk zit er om het nieuwe gewei nog (bast-)huid. Als het gewei volgroeid is, sterft de basthuid af. Een hert ‘veegt’ de vellen af aan bomen en struiken. Dit gebeurt soms met zoveel geweld, dat de bomen het loodje leggen. Met dit ‘vegen’ markeert het hert zijn territorium. In de bronsttijd maken herten, om dezelfde reden, met hun voorpoten ook modderpoelen die ze met urine besprenkelen. Deze zogenoemde ‘zoelbaden’ zijn dan op verschillende plekken te vinden.
Betekenis voor toerisme en recreatie
De Veluwe en de Ardennen danken een deel van hun bekendheid aan de herten die er in het wild leven. In die streken is het hert uitgegroeid tot hét natuursymbool. De bronsttaferelen trekken jaarlijks veel bezoekers. In gebieden waar edelherten voorkomen profiteert een reeks aan toeristisch-recreatieve ondernemingen zoals hotels, bed- and breakfasts, campings en excursiebureau’s direct of indirect van hun aanwezigheid. Dit economische aspect blijft vaak onderbelicht en onderschat. Wandelen, fietsen of kamperen in een omgeving waar edelherten leven, is een belevenis voor jong en oud. Een herintroductie kan dus ook worden gezien als een bijzondere impuls voor plattelandsontwikkeling.







