bever

bever als wateringenieur

Bevers spelen een sleutelrol langs rivieren en beken. Zij nemen het natuurlijke onderhoud van oevers voor hun rekening. Met hun beitelvormige snijtanden knagen ze complete bomen om; om er van te eten, om er beken mee af te dammen of om burchten mee te bouwen. Hun houtbehoefte is wel 4000 kilo per jaar: zo houden zij de boomgroei in toom, maken ze open plekken, zorgen ze voor een gevarieerde structuur en leeftijdsopbouw van het bos en verschaffen ze grote hoeveelheden klinkhout, een verzamelnaam voor al het dode hout langs en in de rivier. 

Op plaatsen waar bevers dammen bouwen, zorgen ze bovendien voor extra dynamiek in het landschap. Achter de dam knagen bevers bomen om en verwerken het hout in de dam. De bast van takken en twijgen dient als wintervoer. Het zo ontstane bevermeer vangt sediment van het beekje in, waardoor de dalbodem opgehoogd wordt. Het ondiepe water is een eldorado voor kikkers, libellen en andere waterdieren. In bevermeertjes groeien waterplanten, die door bevers gegeten worden. Zo creëren ze een extra voedselbron voor zich zelf.

Als de bomen op zijn verlaten de bevers hun meer om elders langs de beek opnieuw te beginnen. De dam vervalt en het meer valt droog. De drassige kale bodem werkt als een magneet op langstrekkende steltlopers. De jaren daarna raakt de voedselrijke meerbodem met grassen en kruiden begroeid; erg aantrekkelijk voor grazers . Uiteindelijk keert ondanks de van nature grote graasdruk het bos langzaam terug en kan de cyclus weer van voren af aan beginnen.